dinsdag 16 september 2014

Het boompje


 
Ontworteld werd het boompje, genadeloos vermoord. Doordat het verkeerd geplant was werd zijn rust grenzeloos verstoort. Ontworteld werd het boompje verstikt in de droogte, zonder water zonder zon. Jaren gingen voorbij maar voor het boompje bleef alles zoals hoe het ooit begon. Nooit was hij één van hen, nooit hoorde hij erbij. Zoveel bomen waren goed, maar deze mocht niet in de rij. Ontworteld werd het boompje en daar vond het zijn rust. Eenzaam en verlaten, na jaren van afwijzing is dat waar het in berust. Tuurlijk heeft het nog dromen, tuurlijk verlangt het stil naar een metgezel. Maar de stilte doet ook goed na al die verwijten, na al dat gekwel. Misschien komt er ooit nog een afgewezen boompje bij, dan zal geen rij bomen meer zo sterk zijn als dit duo  zij aan zij.

Liefde van de natuur



Eén plantje huilde “waarom regent het”, ik wordt helemaal koud en nat. Tot plots een heerlijk zonnetje scheen en het zingend al het voorgaande vergat. Een ander plantje huilde dagelijks “ik sta hier voortdurend met mijn voeten in het vieze zand”.  Pas later toen het mooi openbloeide en stevig groeide wist het dat het dankzij het zand was, het zag plots het verband. Een derde plantje pufte van de hitte in de zon, “zo verstikkend ik kan niet eens naar de schaduw vluchten, ik ben gedoemd om hier wortel te schieten.” Tot de eerste verfrissende regenbui viel. Het plantje besefte, zonder die hitte had ik er nooit zo van kunnen genieten. Eens de plantjes beseften dat de natuur alleen het beste voorhad keerde alles om in rust, alsof het wat het eerst haatte nu plots aanbad. Het inzicht dat de natuur uit liefde handelde heeft hen uit hun ergste nachtmerrie wakker gekust.

De kamer die niemand kent


 
 
Ik heb een kamer waar niemand iets van afweet. Als een schatkamer die bewaakt wordt met zoveel zorg afgeweerd. Ik stel me erg open en maak van niets een geheim, maar niemand zal deze betreden tenzij je me kan vrijwaren van pijn. Ik heb een kamer waar niemand van vermoed dat ze er is. Omringd door zoveel muren, angst, verdriet, dat ik me weer eens in iemand vergis. Ik heb een kamer waar niemand binnen mag. Alleen zij met de puurste tranen en de puurste lach.

Hoe kan ik niet van je houden


Hoe kan ik niet van je houden als je woorden mijn hart steeds weer masseren, hoe kan ik al dat moois nog negeren? Hoe kan ik niet van je houden als alles wat je uit zo puur is en oprecht, je leeft je ziel en handelt naar wat je zegt. Hoe kan ik niet van je houden als iedere ontmoeting zo wondermooi in elkaar vloeit, Hoe kan ik niet van je houden als mijn leven sinds ik jou ken open is gebloeid. Hoe kan ik niet van je houden als we elkaars zinnen afmaken en samen één verhaal schrijven. Hoe kan ik niet van je houden dat zelfs als we elkaar niet meer zien, onze zielen toch bij elkaar blijven.

Als het denken verdwijnt


 
De klank van jouw stem, de smaak van je lippen Doordringen mijn ziel, herinneren me aan wie ik ben
de strelingen van je vingers, de blik in jouw ogen. Ze voelen als de thuis die ik nog niet ken
Jouw aanwezigheid vervoert me, de connectie ontroert me, alles zo naturel
Je doet men denken verdwijnen, doet men gevoel terug verschijnen, lieve schat dankjewel.

Het sprookje van slechts 120 woorden



 
Er was eens een sprookje van slechts 120 woorden. Alle personages uit sprookjesland lachten toen ze het hoorden. “Haha, wie wil daar nu aan mee doen, dit is gewoon een grap. Wie kunnen we uitlachen wie zet de stap.” Ondanks al het gelach en gespot,  stapte één iemand gedreven naar voor en sprak de woorden: Hebben jullie dan echt niets geleerd van al die jaren dat we leven? Het gaat niet om de held uit hangen, het gaat erom mensen hun hart te raken, al is het maar voor heel even. Hen een levensles aanbieden die het beste in hen naar boven brengt. Ons bestaan gaat dus niet om tijd maar om wat je in die tijd schenkt.

Het Kind van toen


 
Rolletjes als grappenmaker, stoere macho, gedreven in ons werk of sporter eerste klas, daarachter schuilt ons broos en bang hartje dat ooit een vrolijk kindje was. Tegen beter weten in relativeren we alles wat ons pijn doet, wat ons raakt. Het relativeren is onze verzekering dat ons hartje nooit echt kraakt.
We zijn zo bezig met het weg te stoppen dat we de schoonheid er niet meer van zien, zo doof geworden voor ons gevoel bovendien. We overbeschermen onszelf en verstikken ons hartje oh zo klein, het heeft geen plaats meer over om zichzelf nog te zijn. Daarom moeten we praten met elkaar, onze gevoelens uiten in al wat we doen. Niet langer verbitterd door pijn maar met het geven van tekens als dat kind van toen.